Archief
Van de artikelen van het afgelopen jaar is alleen een abstract beschikbaar. Opgeven voor de diverse abonnementen kunt u hier doen.
Hans-Martien ten Napel
AbstractOp 9 april 2010 sprak de Hoge Raad uit dat de Nederlandse Staat verplicht is effectieve maatregelen te nemen om een einde te maken aan de onthouding van het passief kiesrecht aan vrouwen door de SGP. Dit terwijl de Raad van State op 5 december 2007 juist had geoordeeld dat van een daadwerkelijke beperking van het passief kiesrecht geen sprake is, nu vrouwen in Nederland van voldoende andere partijen lid kunnen worden die wel vrouwen kandideren voor vertegenwoordigende functies. Hans-Martien ten Napel gaat in op de vraag hoe het kan dat twee hoogste rechtscolleges in betrekkelijk korte tijd tot deels tegengestelde uitspraken komen en hoe in het bijzonder het recente arrest van de Hoge Raad nader te duiden valt.
De auteur gaat uit van een lezing van Eva Brems, hoofddocent Mensenrechten aan de Universiteit Gent, die geldt als een autoriteit op het terrein van de botsing van grondrechten. In die lezing presenteerde zij een normatief kader voor de omgang met conflicterende mensenrechten, en stelde zij een driestappenplan voor, met als uitgangspunt optimalisering van de mensenrechtenbescherming. De eerste stap bestaat uit het elimineren van schijnconflicten, mocht daarvan sprake zijn. De tweede stap houdt in dat bij voorkeur wordt gestreefd naar een compromisoplossing. Mocht geen van beide tot de mogelijkheden behoren, dan kan bij wijze van derde stap het internationale recht wellicht uitsluitsel bieden. Is ook dat niet het geval, dan staan de nationale rechter enkele criteria ter beschikking aan de hand waarvan hij het ene recht voorrang kan geven boven het andere.
Hans-Martien ten Napel volgt Brems bij het zetten van deze drie stappen in het kader van de SGP-zaak en schrijft dan:
‘Het loopt er al met al op uit dat volgens Brems haar normatieve kader in het geval van de SGP-zaak niet tot een eenduidig resultaat leidt. Het verschil in gewicht tussen beide schalen van de balans blijkt te gering om deze aan de hand van zuiver juridische criteria in de ene of de andere richting te laten doorslaan. Daarmee wordt de keuze tussen de conflicterende grondrechten in een geval als het onderhavige een politieke keuze.
Brems zelf kiest dan uiteindelijk ten gunste van de SGP, aangezien het een pure outsider-interventie betreft met betrekking tot een kleine partij. De Hoge Raad besliste echter anders. De vraag rijst hoe deze keuze dan ‘politiek’ te duiden valt.’
Ten Napel haalt vervolgens een lezing van James Kennedy voor het voetlicht, waarin deze betoogde dat de verhouding tussen religie en politiek in Nederland recentelijk op sterk uiteenlopende wijzen opnieuw wordt gedefinieerd. De ene denkrichting beklemtoont de in elk geval potentieel positieve rol van religie in de publieke sfeer. De andere zienswijze staat een strikte scheiding van kerk en staat voor. De verkiezingsprogramma’s 2010 overziende stelt Ten Napel vast dat seculiere partijen meer dan voorheen het accent leggen op de emancipatie van het individu en de tolerantie jegens minderheidsopvattingen daaraan ondergeschikt maken. Het gevolg is dat deze partijen de staatsvrije ruimte voor de burger welbewust verkleinen. Dit gebeurt weliswaar in de meeste gevallen met goede bedoelingen, maar dat maakt geen verschil voor het resultaat.
Nu zou het te kort door de bocht zijn, aldus Ten Napel, om de Hoge Raad te betichten van partijpolitieke stellingnames. Echter, de risico’s van de door de Raad gekozen benadering worden in wat oudere edities van het Handboek van het Nederlandse staatsrecht geschetst in bewoordingen die wel gekozen lijken te zijn met het oog op de SGP-zaak. Volgens het Handboek stelt de opkomst van de verzorgingsstaat, en de daarmee gepaard gaande aanvulling van de klassieke grondrechten met een reeks sociale grondrechten, voor de vraag wat onder vrijheid is te verstaan. De auteur toont dat aan met een uitvoerig citaat uit dit Handboek, en stelt in zijn ‘Tot besluit’ onder meer:
‘Aldus bezien kan een klein verschil in de wijze waarop de afweging van grondrechten uitvalt op termijn toch nog grote gevolgen krijgen. […] Er is echter troost, in de zin dat een uitspraak als die van de Hoge Raad in de SGP-zaak ook gewoon het gevolg kan zijn van een gebrek aan historisch inzicht. Zoals Henk Post het formuleert aan het eind van zijn dissertatie over de SGP en het passieve vrouwenkiesrecht: ‘Juist kennis van de geschiedenis bevordert een wijs oordeel en ruimdenkendheid jegens een afwijkende opvatting.’







