Archief
Van de artikelen van het afgelopen jaar is alleen een abstract beschikbaar. Opgeven voor de diverse abonnementen kunt u hier doen.
Bert Loonstra
AbstractOp 18 maart 2010 verdedigde Koert van Bekkum zijn dissertatie aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Kampen (Kampen II). Deze handelt over de geschiedkundige waarde van de beschrijving van Israëls intocht in het beloofde land in Jozua 9:1 – 13:7 [1]. Tegen de heersende trend in verdedigt hij het historische gehalte daarvan. De combinatie met archeologisch materiaal levert een consistent beeld. Toch moet in de genoemde hoofdstukken niet alles letterlijk worden genomen. Bij de promotie ontving de promovendus het predikaat cum laude. Voldoende redenen om voor Bert Loonstra aan dit boek aandacht te besteden en te vragen naar de consequenties voor onze kijk op de Schrift.
Aan de hand van enkele passages krijgt de lezer een indruk van de vreugde van Bert Loonstra over de verschijning van dit boek, die ook door zijn bedenking niet getemperd wordt.
‘Het is niet overdreven om deze studie markant te noemen in het archeologische en literaire onderzoek. In de eerste plaats is zij markant in deze zin dat hier een formidabele prestatie is neergezet. Wat de archeologie betreft wordt het veld volledig overzien en de discussie op niveau gevoerd. Dat niveau kenmerkt zich door een combinatie van adequaat ingaan op detailkwesties en overzicht bewaren over de grote lijnen van de achterliggende theoretische keuzes. Evenzo getuigt de literaire analyse van grote kennis en precisie. Deze volledige beheersing van twee afzonderlijke onderzoeksgebieden is opmerkelijk.
In nog een andere zin kan van een markante studie worden gesproken. Van Bekkum doet een gedegen voorstel dat ingaat tegen de trend van zowel het archeologische onderzoek van Kanaän als het literaire onderzoek van het Oude Testament. Hij neemt beide volledig serieus, maar brengt ze tegen de heersende mening in uiteindelijk bij elkaar. Daarbij laat hij zien dat ze elkaar kunnen bevruchten en versterken.’
‘Op nog een derde manier is dit boek markant. Het markeert een verandering binnen de gereformeerde wereld in het benaderen van het literair-historisch Bijbelonderzoek. Als de auteur de resultaten van het historisch-kritische Schriftonderzoek bespreekt en bekritiseert, doet hij dat niet op grond of onder druk van godsdienstige vooronderstellingen, maar consequent van onderaf, op basis van waarnemingen. Dat is geschied onder verantwoordelijkheid van de theologische universiteit Kampen II en door een promovendus die in het dagelijks leven adjunct-hoofdredacteur is van het Nederlands Dagblad, een vanouds gereformeerde krant.’
De auteur brengt vervolgens enig historisch perspectief aan waar het gaat om publicaties die handelen over de geloofwaardigheid van de Bijbel, en signaleert over de afgelopen vijftien jaar daarbij plussen en minnen.
Vervolgens keert hij terug naar de behandeling van het boek van Van Bekkum:
‘Het meest bevrijdende element in de aanpak van Van Bekkum is, dat hij het archeologische onderzoek van Kanaän en het literaire onderzoek van de Bijbel elk hun eigen gang wil laten gaan. Hij kan daaraan de volle ruimte geven omdat hij ervan overtuigd is dat alle ware kennis van God is. Onderzoekers kunnen zich vergissen in de conclusies die ze trekken, maar we hoeven niet bang te zijn dat het onderzoek van de bodem of van de teksten een andere waarheid aan het licht brengt dan de waarheid die bij God bekend is. Hiermee wordt het onderzoek bevrijd van een beklemmende ideologie van letterlijke historiciteit. Met deze ideologie lopen we vast en worden we gedwongen tot allerlei geforceerde veronderstellingen en verklaringen. Dan strijden wij voor ónze denkbeelden over wat Gode betamelijk is.’
Maar is er enkel sprake van een bevrijdende aanpak, of schuilt er toch een adder onder het gras? Loonstra:
‘Is het wel waar dat het pleidooi van Van Bekkum leidt tot bevrijding uit de ideologie van een letterlijk historische opvatting van de Bijbelverhalen? […] Goed beschouwd valt deze benadering structureel nog steeds onder de ideologie die bepaald wordt door letterlijke historiciteit. Consequent doorgevoerd leidt deze opvatting zelfs tot het aannemen van de inerrancy van de Bijbel, een rigide vorm van onfeilbaarheid, waarin tot in de kleinste bijzonderheden van vorm en inhoud de Bijbel wordt geacht te beantwoorden aan een letterlijke waarheidsopvatting. Ik weet niet of Van Bekkum zo consequent wil doorredeneren, het gaat mij om de structuur van zijn voorstel. […]
Er ontstaat […] veel ruimte voor een minder geforceerde uitleg wanneer een letterlijke opvatting problemen oproept, zonder dat de aard van het Schriftgezag ter heroverweging hoeft te staan. Nog steeds kunnen we uitgaan van het letterlijke historische gezag van alles in de Bijbel dat door de auteurs historisch is bedoeld. […] Ik vrees echter voor de voorstanders van deze lijn, dat we er op die manier niet helemaal uit komen. Zijn op deze manier inderdaad letterlijke intentie en tot de verbeelding sprekende inkleding van elkaar te scheiden? Ik betwijfel het.’
Bert Loonstra illustreert zijn bedenking met twee evaluaties van Van Bekkum over Bijbelpassages, namelijk het stilstaan van zon en maan in Jozua 10:12-14, en de val van Jericho. En de derde manier om zijn bedenking te articuleren noemt de auteur het meest principieel: ‘Ze sluit aan bij de kritiek van Van Bekkum zelf op de postmoderne tendens oude teksten uitsluitend synchroon literair te lezen en de diachrone functie om te refereren aan een historische werkelijkheid te negeren. Volgens hem valt deze benadering ten offer aan de diepe conceptuele dichotomie die inherent is aan het positivistische empirisme, namelijk de dichotomie tussen objectieve historische observatie en subjectieve verbeelding. Teksten worden ofwel opgevat als objectieve geschiedschrijving, ofwel als subjectieve constructies van de werkelijkheid. Terecht maakt hij tegen deze tweedeling bezwaar. Maar volgens mij stapt hij in dezelfde val. Alleen is het bij hem niet of-of, maar deels-deels: deels objectieve historische observatie en deels, daarnaast, bewuste ideologische beeldvorming. Het klinkt me te westers, te rationeel en analytisch in de oren.’
Is met deze bedenking mijn vreugde over de verschijning van dit boek getemperd? Geenszins, en dat om twee redenen. In de eerste plaats heeft Van Bekkum het historische gehalte van het boek Jozua langs wetenschappelijke weg aannemelijk gemaakt. Zo’n steun in de rug kan het christelijk geloof best gebruiken. En in de tweede plaats blijft zijn adagium overeind: alle ware kennis komt van God. Dat creëert ruimte voor open wetenschappelijk onderzoek.







