skin_top

Archief


Jaargang 60 | Nummer 1 | Pagina 21-29 | Dit artikel versturen per e-mail Print deze pagina Printer-vriendelijke versie om op te slaan


Van de artikelen van het afgelopen jaar is alleen een abstract beschikbaar. Opgeven voor de diverse abonnementen kunt u hier doen.

Christelijk leiderschap: liever niet

Kees Boele

Abstract

De meeste leiders zijn verleiders, stelt Kees Boele in zijn artikel waarin hij ‘Christelijk leiderschap’ onder de loep neemt. Het begrip stijgt in populariteit, maar de auteur zou die woorden liever niet hanteren. Zijn bezwaren zet hij uiteen aan de hand van vijf argumenten die tegen het gebruik van die term pleiten. Die vijf argumenten zijn:
- ‘Christelijk leiderschap’ staat op gespannen voet met vreemdelingschap.
- ‘Christelijk leiderschap’ maakt van de kerk een onderneming.
- ‘Christelijk leiderschap’ is een variant van de oude antithesegedachte.
- ‘Christelijk leiderschap’ loopt de Leidsman in de weg.
- ‘Christelijk leiderschap’ verdraagt zich moeilijk met katholiciteit.

Nadat de auteur deze vijf argumenten heeft uitgewerkt, stelt hij zich de vraag wat en hoe het dan wel moet. Als we liever niet spreken van christelijk leiderschap in de kerk, wat moet een ambtsdrager (predikant, ouderling, bisschop) dan wel doen? In zijn beantwoording van die vraag maakt Kees Boele een onderscheid tussen de inhoud van het leiding geven, en de wijze waarop.
Een predikant ‘leidt’ de gemeente allereerst en vooral door middel van de prediking van Christus en die gekruisigd, de Wijsheid Gods. Andere aspecten van de inhoud van het leiding geven zijn de herderlijke zorg en de catechese, met als klassieke drie delen van de leerstof het credo, het Onze Vader en de decaloog, ofwel geloof, gebed en gebod. De ervaring in zijn plaatselijke gemeente laat zien dat degelijke catechese de jongeren wel degelijk aanspreekt, schrijft Boele. Sterker nog: desgevraagd bleek dat juist hun expliciete behoefte. Goede catechese kan een effectief middel zijn tegen de toenemende gevoeligheid voor christelijk leiderschap, die vooral waarneembaar is bij evangelische gemeenten of evangelisch wordende gereformeerden, die weinig meer weten van de gereformeerde opvatting over kerk, ambt en belijdenis.
Bij de wijze waarop leiding gegeven wordt in prediking, pastoraat en catechese, noemt de auteur onder meer Augustinus, die in zijn Belijdenissen zegt hoe groot het verschil is tussen enerzijds ‘vanitas’ (dat wil zeggen de ijdelheid van het leraarschap in de retorica) en anderzijds de ‘pietas’ (de vroomheid). Hij voelde zijn professoraat als een woordenkramerij tegenover de herderlijke prediking van Ambrosius. Grondtrek van zijn latere episcopaat is dat hij zich (in een brief uit 410) de dienaar, ja, de slaaf van zijn gemeente voelt.

Tot slot uit Boeles bijdrage een passage over christelijk leiderschap buiten de kerk.
‘Het is zaak dat wij onder de lichtkring van het kruis leven, zodat we hooguit fragmentarisch en incidenteel op de wereld inwerken. Weinig eigenaarschap dus en veel eigendom, weinig leiderschap en veel dienstbaarheid. […] Jeremia riep de ballingen op om dezelfde dingen te doen die de wereld ook doet: huizen bouwen, wonen, tuinen aanleggen, eten, trouwen, kinderen krijgen. Ballingen doen dus geen andere dingen en hebben ook geen eigen systeem en zitten al helemaal niet op een kluitje. Zij doen dezelfde dingen die elk mens doet. Alleen komt er iets bij: Jeremia roept hen op om vrede te zoeken te zoeken en te bidden voor de stad waarin ze wonen. Dat is christelijk leiderschap.’

skin_bottom
skin_left
skin_left2
skin_left3