Archief
Van de artikelen van het afgelopen jaar is alleen een abstract beschikbaar. Opgeven voor de diverse abonnementen kunt u hier doen.
Snel en Oevemans
AbstractMet zijn dissertatie De Passage naar Europa wierp historicus en filosoof Luuk van Middelaar (1973) eerder dit jaar een aardige steen in de doorgaans rimpelloze vijver van de Europese studies. De inhoud maakt nieuwsgierig naar de auteur. Herman Oevermans en Johan Snel hadden een gesprek met hem in de eersteklasrestauratie van Amsterdam Centraal, een gesprek dat werd beëindigd door de onverbiddelijke klok en de noodzaak de trein te halen naar Brussel, Van Middelaars woonplaats.
Politiek, aldus Van Middelaar, speelt zich af in de concrete historische tijd, aangejaagd door onverwachte gebeurtenissen en de werking van de media. Zijn boek biedt dan ook geen geschiedenis van de Europese samenwerking, maar is eerder een politiek-filosofische bespiegeling over de vraag wat politiek is en hoe ze zich verhoudt tot de tijd. En die factor is fundamenteel open en onvoorspelbaar, vaak ook grillig, veranderlijk. Politiek is het bedwingen van een ongewisse toekomst, een evenwichtskunst die alleen beheerst wordt door mensen met ervaring en intuďtie.
Ook in zijn vaste column in NRC Handelsblad benoemt Van Middelaar graag het eventkarakter van de politiek en hekelt hij de hoogmoed van de maakbaarheid en andere `typisch protestantse’ beperkingen van met name de Nederlandse politieke cultuur.
Een van de thema’s van het boek is het belang van gebeurtenissen, events, voor het aanjagen van het politieke spel. Van Middelaar zegt daar onder meer over:
`Op een gegeven moment merkte ik ’s ochtends als ik naar mijn werk fietste, ik woonde in Scheveningen, dat ik vaak geen idee had wat ik die dag zou gaan doen. Dat was wel wennen, in het begin. Want tegelijk gebeurde er van alles, rond Ayaan Hirsi Ali bijvoorbeeld. Na twee maanden was er het aftreden van Annette Nijs als staatssecretaris van onderwijs. En toen kwamen de Europese verkiezingen, ook vrij spectaculair, en zo was er telkens wel iets.
Ik dacht, heel naďef: wanneer gaan we nu eens wat doen? Totdat eindelijk tot me door begon te dringen dat dit nu juist politiek is. Dat politiek vooral is het reageren op gebeurtenissen, en dat je daarop wordt beoordeeld. Ik heb die dimensie van de events misschien een beetje overdreven. Omdat veel academisch schrijven over de politiek die factor, de factor tijd in feite, over het hoofd ziet.’
Alsof politieke beslissingen in een vacuüm worden genomen.
`Ja, er gaat vaak een suggestie van uit dat dit alleen maar `exogene factoren’ zijn, zoals dat dan heet. Dat zijn dan de gebeurtenissen. De kredietcrisis is dan slechts een `exogene factor’. Maar dan wordt iets tussen haken gezet wat juist de kern van het hele bedrijf uitmaakt. Alsof politiek een soort tijdloos proces van overtuigingen en afwegingen is.
Politiek draait juist om de tijd, de tijd waarin bepaalde beslissingen moeten worden genomen. Omdat er een deadline is voor een toespraak, een debat, een reis. In werkelijkheid heeft alles een heel korte adem en veel komt ad hoc tot stand.’
Van Middelaar noemt Frank Ankersmit, hoogleraar in Groningen, een belangrijke leermeester. Hij liet zijn studenten zien dat je oude schrijvers vooral zelf moet lezen, dus niet lezen over Augustinus, maar de man zelf tot je nemen.
Op de vraag van het interviewende duo of hij Augustinus, onze oudvader, heeft gelezen, antwoordt Van Middelaar:
`Nou, Augustinus nou net niet, ha. Ik herinner me dat concrete voorbeeld uit een werkcollege en dat is blijven hangen. Mijn eigen aartsvader is eerder Machiavelli, in sommige opzichten de anti-Augustinus, zoals hij zich toelegt op de aardse stad. Machiavelli keert zich ook polemisch – met name in de Discorsi, mijn lievelingsboek, maar ook wel in De Heerser – tegen het beroep dat sommigen deden op de stad van God en waarmee ze naar zijn idee het zicht op de aardse stad vertroebelen.’
Van Middelaar groeide op in Wageningen, waar zijn vader studentenpastor was, een uitgetreden priester. Oevermans en Snel waren benieuwd of er nog iets van zijn achtergrond in zijn boek is terug te vinden. Van Middelaar daarover:
`Ik zie wel cultuurkatholieke elementen. Zelf heb ik de vergelijking getrokken tussen de tussensfeer en de geschiedenis van het vagevuur als derde weg tussen hemel en hel, een bij uitstek katholieke gedachte. Dat typisch juridische van echt alleen de regels, is eerder protestants.
Dat typeert vaak de Nederlandse houding ten opzichte Europa: alleen het verdrag en de formele regels tellen. Terwijl er daaromheen ook van alles gebeurt, van machtsevenwichten tot nog wel duisterder zaken. Een meer katholieke blik kan daar soms bij helpen.’
Naast het evidente realisme – er zit weinig vooruitgangsgeloof in het boek – bespeurden de interviewers toch ook een zeker optimisme, het idee dat het Europese avontuur al een aardig eind op weg is en wel verder zijn weg zal vinden. Van Middelaar was blij met die constatering en reageerde onder andere met:
`Veel Europees idealisme berust op een misverstand. Men veronderstelt, redenerend vanuit de Europese instellingen vaak, dat leiders tegen hun nationale belangen en eigen belangen in zouden moeten gaan om over te schakelen op een Europese visie, enzovoort.
Ik denk dat die tegenstelling vals is en dat Europa zich voor een belangrijk deel afspeelt juist in die spanning tussen die twee. Je hebt wel mensen met zo’n brede visie nodig, die het proces aanjagen, maar zonder gezond en welbegrepen eigenbelang zou dat Europese idealisme weinig betekenen.’
Tot slot een uitspraak van de auteur over vrijheid:
‘Het klassieke liberalisme is altijd bij uitstek een nadenken geweest over de staat en de verhouding van de staat tot de burger. Als liberaal moet je altijd wantrouwend zijn tegenover de staat, maar er zijn ook momenten waarop de staat nodig is om zijn burgers te beschermen, tegenover zichzelf of tegenover de buitenwereld.
Het draait om het belang van een publieke ruimte waarin verschillen zichtbaar kunnen worden en tot uiting komen en niet altijd overbrugd hoeven worden. Maar je moet wel voortdurend de bedreiging van de vrijheid, die zich telkens wel ergens aandient, onder ogen durven zien.’







