Archief
Van de artikelen van het afgelopen jaar is alleen een abstract beschikbaar. Opgeven voor de diverse abonnementen kunt u hier doen.
Hengstmengel
AbstractPeter Sloterdijk – meer literator dan filosoof, of toch niet? Zelf wil hij van geen begrenzing van vakgebieden weten. Bas Hengstmengel gaat in een lijvig maar heel leesbaar artikel na welk etiket het best op deze beoefenaar van ‘de acrobatiek van het denken’ past en wat zijn boodschap is. Eén ding staat in elk geval buiten kijf: hij is in Nederland op filosofisch terrein de bestverkopende auteur van dit moment, en produceert in hoog tempo het ene barok gestileerde boek na het andere.
Enkele highlights uit deze verkenning van een filosofisch fenomeen:
Sloterdijk een ‘Meister der fröhlichen Wissenschaft’ noemen, zoals zijn collega Rüdiger Safranski deed in een laudatio ter ere van Sloterdijks zestigste verjaardag, is om verschillende redenen een rake typering. Het is een verwijzing naar Sloterdijks lievelingsauteur Friedrich Nietzsche en diens boek Die fröhliche Wissenschaft. Hoewel de titel wellicht anders doet vermoeden, is dit geen vrolijk boek. Ook Sloterdijks boodschap is niet vrolijk te noemen, hoewel hij die regelmatig op humorvolle wijze brengt. Hij is een ironisch observator. Hij stelt: ‘Vrolijke wetenschap is satirische intelligentie (…) Haar intelligentie is zwevend, speels, essayistisch, niet georiënteerd op vaste grondslagen en ultieme principes.’ De moderne filosofie moet zich volgens Sloterdijk bezighouden ‘met wat geen filosofie is – de sociale strijd, de waanzin, het lijden, de kunst, de politiek, de ongelukken, de ziekenhuizen, de technieken.’ […] Filosofie is voor Sloterdijk levensleer. Leven en leer moeten overeenstemmen. De vrolijkheid en vrijpostigheid van het ‘fenomeen Sloterdijk’ is ook de filosofie van Sloterdijk. Evenzo is filosofie voor Sloterdijk literatuur. Hij is een filosofische schrijver, meer schrijver dan filosoof wellicht.
In vogelvlucht neemt Bas Hengstmengel een wezenlijk deel van Sloterdijks oeuvre door. Veel van diens werken zijn ook in het Nederlands vertaald. De revue passeren onder meer Kritiek van de cynische rede (1983), Eurotaoïsme (1989), Regels voor het mensenpark (2000), Woede en tijd (2006) en de drie dikke delen van Sferen (Bellen, Globes en Schuim), die als Sloterdijks voorlopige magnum opus worden beschouwd. Ook ‘de affaire-Sloterdijk’, waarin Sloterdijks van meet af aan grote tegenstander Jürgen Habermas een belangrijke rol speelde, wordt uit de doeken gedaan.
Sloterdijk beweegt zich op velerlei terrein, zo ook op dat van politiek en politieke filosofie. Het belangrijkste politiek-filosofische werk is Woede en tijd (2006). Hij stelt de woede (thymos) centraal als kernbegrip in de politieke geschiedenis van het Westen. Menselijke affecten als woede, eer, wraak en vergelding waren in de klassieke tijd gemeengoed, maar zijn door de God van het christendom naar zich toegetrokken als een ‘metafysische wraakbank’. Na de Verlichting werd de hemelse wreker voor velen ongeloofwaardig. Communisme en politieke islam bleken en blijken echter evenmin goede manieren om de thymos te kanaliseren. Het kapitalisme heeft de eer en wraak tot op zekere hoogte omgevormd tot hebzucht en verlangen. Dat heeft niet kunnen verhinderen dat de woede in de eenentwintigste eeuw weer is teruggekeerd. Uiteindelijk ziet Sloterdijk slechts mogelijkheden tot ‘woedebeheer’ in een – na de uiteenzettingen in het boek – nogal vluchtige en gemakkelijk aandoende oproep tot redelijkheid ‘aan gene zijde van het ressentiment’. Dit wat teleurstellende einde doet echter niets af aan de fascinerende cultuurhistorische ontdekkingstocht die eraan voorafgaat.
De drie dikke delen van Sferen zijn, net als zijn andere hoofdwerken, ruimschoots geïllustreerd met de meest opmerkelijke afbeeldingen, waarvan de relatie met de tekst en de toegevoegde waarde niet altijd meteen duidelijk zijn. Maar ze veraangenamen het lezen wel.
In plaats van de klassieke vraag ‘Wat is de mens?’ stelt Sloterdijk zich in Sferen de vraag ‘Waar is de mens?’. Een centraal thema in Sloterdijks werk is wat met een lelijk woord de ‘geboortelijkheid’ (Geburtlichkeit) genoemd kan worden. Hoewel het thema ook door de Duits-Amerikaanse politiek filosofe Hannah Arendt is verwerkt, is het volgens Sloterdijk schromelijk verwaarloosd. Wij mensen verhouden ons niet tot de wereld als een subject tegenover een object. Alleen al onze geboorte uit onze moeder laat zien dat we altijd gesitueerd (‘ontvangen’) zijn. Niet het individu, maar de tweeheid staat voorop. We zijn in de wereld ‘geworpen’, om een term van Heidegger te gebruiken. Na aanvankelijk in de omsloten ruimte van de baarmoeder geweest te zijn, komen we in de andere, veel minder beschermde ruimte. Dit is het ‘drama van de geboorte’. We zoeken naar nieuwe twee-eenheden, zoals het menselijk paar en andere duoverhoudingen. Het deel Bellen gaat over deze intieme microsferen, het deel Globes over maatschappelijke macrosferen als familie, stam, stad, staat en natie, maar ook godsdienst en ideologie, gevolg van het feit dat de microsferen in de loop der tijd steeds ruimer zijn geworden. De democratisering van de relatie tot God heeft geleid tot zijn neutralisering en uiteindelijk tot zijn eliminatie, en daardoor is de mens ‘dakloos’ geworden. In een pluriforme en chaotische wereld is er niet langer sprake van een alomvattende globe, maar nog slechts van schuim. Daarover gaat het deel Schuim.
Hengstmengel stelt dat Sloterdijk naar zijn idee op zijn sterkst is wanneer hij schrijft over de manier waarop de moderne mens reageert op de ‘dood van God’. De hemel is verdwenen; de aarde blijft verweesd en doelloos achter. De mens heeft geen ijkpunt meer in illusies als rede, goedheid of rechtvaardigheid. Hij is bevrijd, maar moet nu zelf grenzen stellen in een grenzeloze en eenzame wereld. Dit besef noemt Sloterdijk het ‘monstrueuze’ (das Ungeheure). Hij werkt het (onder meer) op een toegankelijke manier uit in zijn lezing Kansen in de gevarenzone (2001).
Tot slot uit de evaluatie nog enkele fragmenten:
Sloterdijks literaire stijl van filosoferen is zowel zijn sterke als zijn zwakke punt. Het is zijn kracht, omdat de beelden die hij gebruikt met een overdonderend geraas op de lezer afkomen en hem bij de keel grijpen, veel meer dan enig argument kan doen. Het is echter ook zijn zwakte, omdat, in de woorden van Safranski, de filosofische gedachten vaak zo onoplosbaar in een eenmalig beeld (‘spraaklijf’) gevangen worden, dat het lastig is ze met evenveel kracht en evidentie in andere woorden te reproduceren.’
Veel van Sloterdijks denken kan als kritiek op de moderniteit worden gekarakteriseerd. In Eurotaoïsme verzette hij zich al tegen het basisprincipe van de moderniteit: de immer snellere beweging. In Sferen komt hij in opstand tegen het liberale individualisme en tegen de ‘antigodsdienstige reflex’ in de moderniteit. Dit zijn sympathieke trekken bij Sloterdijk. De vraag blijft echter, hoe de individuele ‘bellen’ die het schuim van de wereld uitmaken, tot samenleven in staat zijn. Sloterdijk weet treffend de vinger te leggen op fundamentele ambiguïteiten en absurditeiten in ons wereldbeeld en samenleven, maar laat zijn lezers, na ze grondig door elkaar te hebben geschud, in verwarring achter in dat ‘schuim’.
Er zit een voortdurende dubbelzinnigheid in Sloterdijks denken. Hij laat gevaarlijke afgronden zien, maar blijft er vrolijk onder. Hij is een postmodernist die niet gelooft in waarheid en goedheid, maar die tegelijk dikke boeken schrijft om mensen op enigerlei wijze ergens van te overtuigen. Hij slaat zijn lezers alle dromen uit handen, maar schetst tegelijkertijd nieuwe utopieën. Ook Sloterdijks boeken zijn op hun manier te beschouwen als een antidotum tegen het ‘monstrueuze’. Uiteindelijk is de mens voor Sloterdijk een levenskunstenaar. […] Vrolijker dan Nietzsche omarmt hij [Sloterdijk] de dood van God. Het verdwijnen van deze sfeer is voor hem een bevrijding. De vraag is echter waar zijn vrolijkheid vandaan komt en – urgenter – of ze gerechtvaardigd is.







