skin_top

Archief


Jaargang 59 | Nummer 5 | Pagina 4-8 | Dit artikel versturen per e-mail Print deze pagina Printer-vriendelijke versie om op te slaan


Van de artikelen van het afgelopen jaar is alleen een abstract beschikbaar. Opgeven voor de diverse abonnementen kunt u hier doen.

‘We hebben allemaal schuld’
Interview met Ybo Buruma over schuld, strafrecht en tijdgeest

Hengstmengel en Versteeg

Abstract

Enkele prikkelende uitspraken over de vraag wie er schuldig is aan de economische crisis, begin dit jaar gedaan in Trouw, vormden aanleiding om hoogleraar strafrecht Ybo Buruma te interviewen met het oog op het komende RRQR-congres waar het thema ‘schuld’ centraal zal staan. Tijdens het congres wordt het onderwerp vanuit theologische en filosofische hoek benaderd. Omdat men in het strafrecht de in de maatschappij heersende opvattingen omtrent zaken als schuld en verwijtbaarheid in zekere zin terugvindt, vormt dit interview een meer sociologische inleiding op het congres.
Uit het interview volgen hieronder enkele niet geheel willekeurig gekozen citaten.
Op de vraag of het strafrecht wordt ingezet op rampen die gebeuren om zo een schuldige aan te wijzen, antwoordt Buruma:
‘Die neiging is er denk ik enorm. Dat stemt mij verdrietig. Ik vind het helemaal niet verkeerd om mensen die verwijtbaar schade hebben veroorzaakt, te straffen. Het is iets anders dat we steeds meer de neiging hebben om mensen ook te straffen voor iets waarbij hetzij die gedraging nog maar de vraag is (ze hadden bijvoorbeeld een kwalijke intentie, maar hadden niets gedaan en we straffen ze al wel) of waarbij de verwijtbaarheid de vraag is (bijvoorbeeld als we iemand die eigenlijk ontoerekeningsvatbaar is toch strafrechtelijke verwijten maken en hem bestraffen). Eigenlijk redeneren we zelfs de hele vraag van de verwijtbaarheid, de hele schuldvraag, weg. Zowel aan de gedragingenkant als aan de schuldkant komen we er niet zo gemakkelijk meer uit en proberen we er in ieder geval voor te zorgen dat we mensen kunnen straffen.
[…]
Ik denk dat we er goed aan doen om niet alles wat ons niet zint in termen van schuld te plaatsen, zelfs als datgene wat ons niet zint een ramp heeft opgeleverd. Bij sommige dingen waren de omstandigheden te groot, waren er te veel invloeden die eraan bijdroegen. Aan het relativeren van de betekenis van het strafrecht in dat verband doe ik graag mee.’
De interviewers leggen Buruma voor dat hij in een aantal publicaties benadrukt dat de rechter het individu moet blijven aanspreken. Daarover zegt de hoogleraar onder meer:
‘Rechters dekken zich nu vaak in in hun formules. Dat is heel interessant voor de hogere rechters en de juristen omdat die begrijpen wat er bedoeld wordt, maar de verdachte zelf snapt eigenlijk niet waar het over gaat. Een verdachte die terechtstaat wegens verkrachting en veroordeeld wordt, snapt heel goed waar het over gaat, en dus kan het dan ook wat moralistisch worden om het hem in te peperen. Er zijn echter andere gevallen waarin het wel degelijk moet worden ingepeperd, bijvoorbeeld bij die vinger waar ik het net over had; die kleine delictjes waar de meeste strafrechtspraak nu eenmaal over gaat.
De slotvraag van het artikel behelst of we het kwaad in sommige gevallen het kwaad moeten laten. Buruma daarover:
‘Het vergelden van het kwaad is natuurlijk een Oudgriekse en een oudtestamentische gedachte. Het is een diepe gedachte die in ons zit. Ik heb altijd begrepen dat het in het christelijk geloof zo is dat je juist de zondaar vergeeft. Dat moet je niet te vaak en niet altijd doen, want de zondaar moet geen sufferd worden die denkt dat hij er altijd recht op heeft. Hij moet ook niet onnozel worden. Dat zijn allemaal overwegingen die een kleine bijstelling van die christelijke gedachte van de vergeving van zondaars rechtvaardigen.’

skin_bottom
skin_left
skin_left2
skin_left3